Aangezien we het deze week al eerder hadden over de dubbele rol van de bestuurder van een rechtspersoon, gaan we hier nog maar wat verder op in. Dit keer inzake de aansprakelijkheid van de bestuurder. Daarvoor (en ter illustratie) gaan we iets terug in de tijd, namelijk naar 9 januari 2018, waarop in het Antilliaans Dagblad een artikel verscheen over een manager van een failliet verklaarde uitgever. De belastingdienst wilde de manager namelijk hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de belastingschulden van de vennootschap.

Interessant aan deze kwestie was het feit dat het niet om een statutair directeur ging. Maar, zo vond de belastingdienst, aangezien hij wel de dagelijkse leiding voerde over de onderneming, kon hij aangemerkt worden als feitelijk bestuurder en (dus) aangesproken worden voor de schulden van de rechtspersoon wegens onbehoorlijk bestuur. De belastingdienst wees ook op het feit dat de betrokken manager in de verzamelloonstaat van de uitgever en bij de SVB stond geregistreerd als directeur.
Echter, de rechter stak daar een stokje voor.

De rechter stelt het volgende: Om hoofdelijk aansprakelijk te zijn, dient iemand bestuurder te zijn. Dat was de manager niet in formele zin. En hoewel de aansprakelijkheid van de feitelijk beleidsbepaler voor de belastingschulden van de rechtspersoon niet met zoveel woorden uit de betreffende verordeningen volgt, kon de rechter niet uitsluiten dat de aansprakelijkheid ook ziet op degene die feitelijk de vennootschap heeft bestuurd.
En nu komt het: “Het moet dan om iemand gaan die een zodanige onafhankelijkheid en beslissingsvrijheid heeft gekregen, dat deze persoon in feite het beleid van de vennootschap bepaalt. Er moet sprake zijn van een directe bemoeienis met het bestuur alsof hij zelf ook in formele zin bestuurder is.”
Daarbij neemt het gerecht als uitgangspunt dat het bovenstaande niet te snel zal worden aangenomen, “omdat anders de kring van personen die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de belastingschulden van de vennootschap te ruim wordt getrokken.”
De manager in dit geval had geen beslissingsvrijheid. Hij had namelijk steeds de instemming van de statutair directeur en (mede)eigenaar nodig en had dus niet zelf de touwtjes in handen. Er kon dus niet worden gesproken van een feitelijk bestuurder en de hoofdelijke aansprakelijkheid ging dus niet op. Zo zie je maar weer: what’s in a name?

Voor gerelateerde artikelen over dit onderwerp kunt u hier en hier klikken, en voor vragen over deze of een andere kwestie kunt u uiteraard ook direct contact met ons opnemen.